Enkele weken geleden vond ik een nogal eigenaardig ‘ding’ op een wandeling in de Leiemeersen te Bachte-Maria-Leerne. Het ‘ding’ is 10.5 cm lang en ongeveer 3.5 cm lang, donkergrijs, vrij zacht van structuur en ietwat gebobbeld. Aan één uiteinde steekt een lange insectenvleugel uit, wat me doet vermoeden dat het om een braakbal gaat, maar dan wel een heel groot exemplaar, en niet te vergelijken met de braakballen die we kennen van bv. een kerkuil.
Na wat opzoekwerk op internet en wat navragen blijkt dat heel wat vogelsoorten braakballen produceren. Niet enkel uilen, maar ook heel wat andere vogels die prooien inslikken waarvan niet alles oplost in het zuur van de maag, verwijderen de botjes en andere moeilijk te verteerbare resten via braakballen. Het gaat bv. om kraaiachtigen, roofvogels, reigers, ijsvogels en meeuwen (http://www.ivn-geysteren-venray.nl/Lezing%20Braakballen.htm). Onze braakbal is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van een blauwe reiger, de enige soort die volgens de hier vermelde website dergelijk grote braakballen produceert. Ook de vindplaats, vlak bij de op een na grootste reigerkolonie van het land, sterkt dit vermoeden.
Door braakballen uit te pluizen kan je veel leren over het dieet van de producent en over het al dan niet voorkomen van bepaalde prooien in een bepaald gebied. Denken we bv. maar aan de vele kerkuilbraakballen die natuurliefhebbers uitpluizen om meer te leren over de verschillende (spits)muissoorten die in een natuurgebied voorkomen.
Het zuur in de maag van een reiger is behoorlijk straf spul. Je vindt dan ook geen graten terug in de braakballen, deze worden mee opgelost. Ook van beentjes van andere gewervelden blijft meestal niet veel over. De typische grijze kleur van reigerbraakballen leert ons wel iets over zijn diner. Deze kleur is het resultaat van mollenhaar, reigers zijn blijkbaar goede mollenvangers en het sterke zuur in de reigermaag kan geen mollenhaar verteren. Zoals hierboven vermeld, stak er ook een insectenvleugel in de braakbal. Na openprutsen van de braakbal vind ik in totaal 7 vleugels, twee achterlijven, één kop en één middenstuk van wat ongetwijfeld ooit twee libellen waren. De libellenresten zijn helaas niet meer gekleurd en dus voor een leek als ik moeilijk te determineren. Wie zich echter geroepen voelt om de soort aan de hand van de nog intacte vleugels (in de vleugeltekening zijn bv. nog duidelijk de pterostigmata (de kleine gekleurde vlekjes aan de boven-en buitenkant van de vleugels) te zien) te determineren, mag zich melden. De resten van de braakbal blijven nog een tijdje in onze diepvries voor verder onderzoek.



